| Het woord sprookje is afgeleid van het al in de middeleeuwen voorkomende woord ‘sproke’, dat letterlijk duidt op ‘dat wat (uit)gesproken wordt’ en verwant is aan ‘spreuk’ en ‘spreken’. De ‘sproke’ werd in de middeleeuwen verteld of voorgedragen door sprooksprekers.
Het verkleinwoord ‘sprookje’ had oorspronkelijk een negatieve bijklank en werd gebruikt om onware verhalen of bakerpraat aan te duiden. Rond de 19e eeuw heeft het woord ‘sprookje’ aan prestige gewonnen en is de negatieve bijklank grotendeels verdwenen. Sprookjes zijn fantasieverhalen.
Ze worden niet geloofd en willen dat ook niet. Idealiter spelen ze in een onbestemde, pre-industriële, feodale wereld waarin (en dat is één van de grote verschillen met de sage) het bovennatuurlijke en het gewone, aardse niet met elkaar botsen, maar als in één dimensie door elkaar lopen. De helden en heldinnen van het sprookje zijn gewoonlijk jonge mensen op de drempel van volwassenheid, die aan het slot na veel avonturen elkaar en het geluk vinden.
|